Graag meer Begeisterung bij student en docent
Waarom is het erg als 'slechte' studenten profiteren van het werk dat 'goede' studenten hebben verricht? En waarom zou een student per se een mindere tutor zijn? Michael Capalbo, aio bij psychologie en onderwijskundige, is het niet eens met de opvattingen die de Ben Teeuwen en David de Jong vorige week in Observant presenteerden.
Het is fijn als studenten betrokken zijn bij het onderwijs. In Observant van 9 november laten twee studenten, Ben Teeuwen en David de Jong, hun betrokkenheid blijken door kritiek te leveren op het huidige probleem gestuurd onderwijs. Zij ageren tegen de overdreven aanwezigheidsplicht, de onkundige studenttutor en de te theoretische aard van de meeste pgo-taken.
Het is raar dat volwassen studenten verplicht worden om aanwezig te zijn bij het onderwijs. Helemaal als je vindt dat de meeste onderwijsgroepen oppervlakkige voorbesprekingen hebben en de nabesprekingen bestaan uit het oplezen van samenvattingen. Slechte studenten halen zo het niveau van de groep naar beneden en goede studenten doen zo het werk voor de slechten. Gelukkig behoren Ben en David tot "het handjevol mensen dat weet dat zo'n verplichting absoluut niet verantwoord is". Alleen horen onderwijskundigen niet bij dat handjevol mensen. Het pgo is ondermeer ontstaan als reactie op het lage slagingspercentage bij een meer klassiek onderwijs. De meeste studenten, ook de 'goeden', duiken in dat systeem pas op het allerlaatste moment in de boeken. Door hen te verplichten een deel van de onderwijsbijeenkomsten bij te wonen help je ze om gedurende het hele blok te studeren en op die manier leren ze meer en blijft er meer hangen. Dat komt niet alleen door de verplichting maar ook door de verantwoordelijkheid die de student voelt tegenover de groep. Dat het erg zou zijn dat de 'slechte' student daarbij zou meeliften op het werk van de 'goede' student is een argument ingegeven door afgunst. Klassiek onderzoek leert dat studenten die de stof aan anderen uitleggen de stof beter begrijpen dan de student die zelfstandig studeert of alleen passief luistert. Verder is het volstrekt onduidelijk waarom het erg is als medestudenten zouden leren van het harde werk van anderen.
Wat betreft de ongeschiktheid van studenttutoren geven Ben en David eveneens overtuigende argumenten. Het is moeilijk voor te stellen dat ze bedoelden dat studenten per definitie geen pedagogische kwaliteiten hebben, helemaal omdat ze zelf tutor zijn. Ben en David hebben zelf waarschijnlijk ook studenttutoren gehad die beter waren dan sommige docenttutoren. Het hangt grotendeels af van de motivatie van de tutor. Daarop zou zoveel mogelijk geselecteerd moeten worden. Studenten zijn niet per definitie slechte tutoren en inhoudsdeskundigheid is een pre maar geen noodzakelijkheid.
Over de roep om meer praktische problemen kunnen we eveneens duidelijk zijn, dat kan gewoon niet altijd. Bij academische opleidingen spelen theorie en abstractie nou eenmaal een prominente rol. Een oproep om alle problemen naar de praktijk te vertalen is een oproep tot het veranderen van het karakter van de universiteit.
Het is mooi dat Ben en David de problemen die volgens hen spelen in het Maastrichtse onderwijs aan de kaak willen stellen. We hebben alleen niet zoveel aan een ideaalbeeld waarin slechts plaats is voor de 'goede' student die zich alleen maar richt op de "probleemvijver van de maatschappij", we zouden meer hebben aan een oproep tot meer Begeisterung bij zowel docent als student.
Michael Capalbo, aio-docent aan de faculteit der psychologie, afgestudeerd als onderwijspsycholoog en ervaringsdeskundige in het onderwijs geven én nemen in Maastricht
| bovenkant pagina |
© Observant, © HOP | laatst gewijzigd: 16 november 2006