Proefschrift over hypochondrie

"Zou ik het hebben, denk je?"

Mevrouw de Bruin is secretaresse, getrouwd en moeder van vier kinderen. Ze is vierenvijftig en een vaste bezoeker van de huisarts. Ze is namelijk bang dat ze kanker krijgt. Iedere keer als het woord kanker valt, of het nu bij vrienden op de thee is of in een medisch programma waar ze naar kijkt, raakt ze geheel in paniek. Ze is constant bezig haar lichaam te inspecteren op tekenen van de gevreesde ziekte en slaapt nauwelijks.

De huisarts heeft haar meer dan eens helemaal nagekeken en geconcludeerd dat er niets aan de hand is, maar ze gelooft hem niet. Ze is bang dat hij iets over het hoofd heeft gezien, en vraagt hem dus iedere keer weer haar naar een specialist te verwijzen. De huisarts heeft dat een paar keer gedaan, en er werd niets gevonden. Mevrouw de Bruin was gerustgesteld, maar dat duurde nog geen dag. Ze kreeg hoofdpijn en zag daarin een teken van een hersentumor, of dacht dat buikpijn betekende dat ze darmkanker had. De huisarts gaat nu niet meer op haar verzoeken om verwijsbriefjes in; hij wil voorkomen dat ze gaat "dokter-shoppen".

Mevrouw de Bruin lijdt aan hypochondrie, een psychiatrische stoornis volgens psychologe Marie-Anne Haenen. Het belangrijkste kenmerk is een voortdurende preoccupatie met de angst voor een ernstige ziekte, of het idee dat men aan zo’n kwaal lijdt. Hypochonders zijn tobbers. "‘t Is met die hypochonderen nu eenmaal altijd donderen", citeert Van Dale ene C. Veth, een inmiddels vergeten schrijver en tekenaar uit de eerste helft van deze eeuw. Haenen geeft hem gelijk. "Het kan bijzonder zwaar zijn voor de omgeving, iemand die de hele tijd vraagt: ‘Denk jij dat ik het heb? Kun je eens even voor me kijken?’ Maar in veel gevallen is het niet zo ernstig."

Iedereen kent wel een mevrouw de Bruin. Sommigen denken kanker te hebben, anderen vrezen hart- en vaatziekten. MS en Parkinson zijn ook populair. "Vooral het aftakelingsproces roept angst op." Niet alleen bij ouderen. Haenen, die volgende week op het onderwerp promoveert, kent ook twintigers en dertigers die altijd over hun gezondheid lopen tobben.

Cijfers over de aantallen kan niemand geven. Niet alleen omdat de ernst van de ziekte kan variëren, maar ook omdat niemand er mee te koop loopt. Het is geen kwalificatie om trots op te zijn, en bovendien menen de meesten oprecht dat ze aan een lichamelijke kwaal lijden.

Vandaar dat Haenen voor haar promotie-onderzoek in de wervingscampagne het woord ‘hypochonder’ vermeed. In de advertentie die ze in de Limburger en de Trompetter plaatste was sprake van "bezorgdheid om de eigen gezondheid". De oproep kwam per ongeluk tussen de rouwadvertenties terecht. Dat bleek geen ramp. "Ik was blij dat-ie daar stond", bekent de onderzoeker. "Veel hypochonders kijken daar het eerst - op zoek naar hetgeen ze vrezen: mensen van hun leeftijd die zijn overleden, eventueel ‘na een langdurig ziekbed’."

Tussen de oren

In haar onderzoek vergelijkt Haenen, werkzaam bij het departement medische, klinische en experimentele psychologie, hypochonders met gezonde mensen. Ze zocht naar verschillen in zaken als vatbaarheid voor suggestie, reactie op afleiding, kennis van ziekten en algemene angst. De zeventien proefpersonen werden bijvoorbeeld in een wachtkamer gezet en na twee minuten gevraagd op te sommen wat ze hadden gevoeld. Een controlegroep deed hetzelfde. Haenen: "Hypochonders letten zoveel op lichamelijke gewaarwordingen dat ze in zo’n situatie, zonder er speciaal op te letten, veel meer voelen dan gezonde mensen."

Maar waar ligt dat aan? Zijn ze gevoeliger dan u en ik? Sommige deskundigen beweren van wel, anderen zeggen het omgekeerde: ze zijn juist niet in staat goed naar de signalen van hun lichaam te luisteren, en dat is net het probleem. Uit de tests die Haenen haar proefpersonen liet doen bleek geen verschil in gevoeligheid tussen beide groepen.

Als het puur tussen de oren zit, kun je hypochonders dan gemakkelijk beïnvloeden? In tegenstelling tot wat ze verwachtte, reageerden de proefpersonen van Haenen nauwelijks na de aankondiging dat ze een stroomstootje in hun vinger zouden gaan voelen. Dat laatste gebeurde niet. De groep gezonde mensen bleek veel vatbaarder voor suggestie.

Het lijkt misschien een punt in het voordeel van de hypochonders, maar dat is het niet. Haenen wijst er op dat dit soort eigenwijsheid er de oorzaak van is dat ze hun huisartsen niet geloven en ondanks diens geruststellende woorden doorgaan allerlei symptomen ontdekken.

Volgens Haenen hebben deze patiënten andere ideeën over gezondheid: "‘Als ik gezond ben, heb ik geen lichamelijke gewaarwordingen. En als ik iets voel, moet ik het kunnen verklaren’", vat ze de redenering samen.

Wat doen ze dan met medische informatie? Weten ze meer van kanker dan gewone, gezonde mensen omdat ze altijd op zoek zijn naar alles wat ziekte en gezondheid betreft? Interpreteren ze alle informatie conform hun overtuiging dat overal gevaar dreigt?

Haenen ging er van uit dat hypochonders meer dan gewone mensen belust zijn op medische details, maar dat dit niet resulteert in meer kennis. Ze verwachtte dat de patiënten vooral negatieve informatie op zouden nemen en positieve aspecten zouden ‘vergeten’. Daarom dacht ze eigenlijk dat het kijken naar een video over kanker voor hen veel minder op zou leveren dan voor de gezonde controlegroep. Dat bleek niet zo te zijn. Beide groepen wisten na afloop meer over kanker, terwijl de angst bij de gezonde groep meer was gestegen dan bij de patiënten.

Therapie

Het grote verschil zit hem volgens Haenen in de reactie op onzekerheid over lichamelijke gewaarwordingen. Hypochonders kunnen niet accepteren dat veel pijntjes en probleempjes onverklaarbaar zijn, of een ongevaarlijke oorzaak hebben. Haenen: "Een therapeut vertelde dat ze een cliënt had bij wie uiteindelijk kanker werd geconstateerd. Op de vraag hoe ze dat vond, antwoordde de cliënt dat ze gerustgesteld was. Het hebben van een ziekte was voor haar draaglijker dan de onzekerheid."

Haenen ziet niet veel in het bieden van meer informatie om de angsten van de patiënt te bezweren. Artsen hoeven zich wat haar betreft ook niet meer uit te putten in geruststellende taal.

"‘Maar ik voel dit’, zeggen de patiënten vaak. Als je hun ideeën over gezondheid niet bijstelt, wordt het niks. Mensen blijven dingen voelen. Het gaat erom dat het minder angstaanjagend wordt."

Hoe bereik je dat? Marie-Anne Haenen deed naast haar onderzoek de opleiding tot gedragstherapeute. Nu gaat ze een dag per week bij de RIAGG werken, met name met hypochondere patiënten. "Gedragstherapie gaat in op je cognities en tobben is natuurlijk een cognitieve activiteit." Maar waren het niet juist moeilijke mensen die zich sterk aan hun eigen denkbeelden hechten? "Voordat ze zover zijn dat ze in therapie kunnen, moeten ze er eerst van overtuigd zijn dat er niet alleen iets medisch met hen mis is", geeft Haenen toe. Maar dat geldt voor de meeste psychische ziekten.

De behandeling gaat volgens een protocol: zestien sessies, waarin achtereenvolgens een aantal vastgestelde stappen doorlopen moet worden. Dat is de interne dialoog-therapie, ontwikkeld door haar co-promotor dr. A.J.M. Schmidt.

Volgens hem zijn hypochonders constant in debat met zichzelf en komen ze er nooit uit. Haenen vergelijkt het met een kroegruzie tussen een Ajax-supporter en een Feyenoordfan over de kwaliteiten van hun club. "Ze raken natuurlijk nooit tot overeenstemming. Pas als er één de kroeg verlaat, houdt het debat op. Zo heeft de hypochonder twee partijen aan het woord waarvan je er één moet uitschakelen om een eind aan de twijfel te maken." Ze geeft een voorbeeld van zo’n interne dialoog:

"A: Ik ben al twee keer bij de dokter geweest en er is niks aan de hand.

B: Maar bij de buurvrouw bleek pas na drie keer onderzoek dat ze kanker had.

A: De dokter heeft alles toch onderzocht.

B: Ja maar, ik heb de laatste paar dagen wat minder eetlust en dat ben ik vergeten hem te vertellen."

In de therapie moet de patiënt eerst in de gaten krijgen dat hij zo’n dialoog voert, om er vervolgens mee op te houden. Hoe? Tja, dat weet de aanstaande therapeute even niet. Gelukkig komt de ontwerper van de therapie net binnen. "Een van de sprekers moet de mond gesnoerd worden. Bijvoorbeeld door alleen aandacht te schenken aan de argumenten pro-gezondheid en de andere te negeren. Het maakt in theorie niet eens uit welke kant gestopt wordt."

Dat helpt? "Dat helpt."

Agnes Sommer

Proefschrift: Marie-Anne Haenen; Hypochondriasis. Examining aspects of a cognitive-behavioural model.

[bovenkant pagina]


© Observant, © HOP | laatst gewijzigd: 15 december 2005